Niet zo verstandig: blindelings het UWV volgen

Sommige organisaties (met name in het onderwijs) zijn eigenrisicodrager voor de WW en kennen daarnaast een bovenwettelijke WW-uitkering. De onderwijsorganisatie voert dan zelf de WW uit als het UWV een WW-uitkering heeft toegekend. Naast de uitvoering van de WW geldt in het kader van de bovenwettelijke WW-uitkering, dat de eigenrisicodrager deze ook moet betalen aan de werkloze ‘gewezen’ werknemer.

Als achteraf blijkt dat echter geen recht bestaat op een WW-uitkering (en dus ook geen recht op een bovenwettelijke uitkering), dan kan dat tot financiële vraagstukken leiden.

Zo ook in de zaak van de Centrale Raad van Beroep van 25 augustus 2026 (ECLI:NL:CRVB:2026:1119). In deze kwestie is een werknemer die bij een universiteit werkte disciplinair ontslagen. Het UWV oordeelt op de WW-aanvraag van ex-werknemer dat recht bestaat op een WW-uitkering, maar dat deze blijvend niet tot uitbetaling komt vanwege verwijtbare werkloosheid. Het bezwaar van de werknemer wordt echter gegrond verklaard en het UWV beslist toch dat werknemer niet verwijtbaar werkloos is. De ex-werkgever (eigenrisicodrager voor de WW) stelt beroep in tegen deze beslissing op bezwaar. In afwachting van de beroepsprocedure krijgt de werknemer van het UWV een voorschot op zijn WW-uitkering betaald én de ex-werkgever betaald de bovenwettelijke WW-uitkering ook als voorschot (dat had de universiteit beter niet kunnen doen…).

In beroep oordeelt de rechtbank Limburg dat de werknemer wél verwijtbaar werkloos is en dus eigenlijk geen recht had op een WW-uitkering. Het UWV vordert vervolgens de betaalde WW-uitkering van werknemer terug. De rechtbank Limburg oordeelt dat dit niet kan vanwege strijd met artikel 23 WW. De universiteit vordert ook tevergeefs de bovenwettelijke WW-uitkering terug: ook hiervan oordeelt de rechtbank Limburg dat dit is strijd is met de bovenwettelijke WW-regeling (BWNU 2014) en artikel 23 WW.

De universiteit wil vervolgens de schade als gevolg van het onrechtmatige WW-besluit op het UWV verhalen. Immers: in beroep is vast komen te staan dat het UWV nooit een WW-uitkering had mogen toekennen aan ex-werknemer vanwege verwijtbare werkloosheid en dus heeft de universiteit ten onrechte aan ex-werknemer een bovenwettelijke WW-uitkering toegekend (die zij volgens de rechtbank niet mag terugvorderen).

De universiteit dient daarom een schadeverzoek ex artikel 8:88 Awb in, omdat zij als gevolg van het onrechtmatige besluit schade heeft geleden. Volgens de rechtbank heeft de universiteit echter geen recht op schadevergoeding, want er bestaat onvoldoende hecht causaal verband tussen de schade en het onrechtmatige besluit. De universiteit is het daar niet mee eens en stelt hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep, want de universiteit heeft door het volgen van de (achteraf onjuiste) beslissing van het UWV immers de bovenwettelijke uitkering betaald aan werknemer en kan deze niet terugvorderen.

De Raad ziet dat toch echt anders: de Centrale Raad van Beroep oordeelt dat weliswaar sprake is van een onrechtmatig besluit, maar dat de universiteit een eigen beoordeling moet verrichten – los van het oordeel van het UWV – of aanspraak bestaat op een bovenwettelijke WW-uitkering. Dat volgt volgens de Raad uit artikel 10 van de BWNU. Op grond van dat artikel moet de universiteit een eigen beoordeling maken of recht bestaat op een bovenwettelijke uitkering en zelfstandig moet beoordelen of al dan niet sprake is van verwijtbare werkloosheid (met als gevolg dat een bovenwettelijke uitkering niet tot uitbetaling komt). Volgens de Raad kan de schade van de bovenwettelijke uitkering dus niet worden toegerekend aan het UWV, omdat het onrechtmatige besluit ziet op de WW-uitkering en niet op de bovenwettelijke WW-uitkering, waar de universiteit zelf een oordeel moet vormen of daar wel of geen recht op bestaat.

Ook het standpunt van de universiteit dat automatisch het oordeel van het UWV wordt gevolgd bij het vaststellen van een recht op een WW-uitkering, kan de universiteit niet baten: dat in de praktijk voor de bovenwettelijke uitkering wordt aangesloten bij het oordeel van het UWV over het recht op WW komt volledig voor rekening en risico van de universiteit.

Kortom: eigenrisicodragers voor de WW dienen erop bedacht te zijn dat zij een zelfstandige beoordeling moeten uitvoeren of sprake is van verwijtbare werkloosheid en het vaststellen van het recht op een bovenwettelijke uitkering. Als de eigenrisicodrager daarin blindelings het UWV (achteraf ten onrechte) volgt, dan kan dat behoorlijk in de financiële papieren lopen.

In deze casus had de universiteit van meet af aan dus de beslissing moeten afgeven dat er geen recht bestond op een bovenwettelijke uitkering. Door blindelings het UWV te volgen, kan de – achteraf ten onrechte – verstrekte uitkering niet meer teruggevorderd worden van de ex-werknemer en bestaat ook geen recht op schadevergoeding van het UWV voor de universiteit als eigenrisicodrager.

Scroll naar boven