Overtreden coronaregels: benadelingshandeling?

De tijd dat met een verkoudheid op het werk verschijnen volstrekt niet aan de orde was ligt gelukkig ver achter ons, maar in sommige uitspraken ‘echoot’ corona nog wel na.

Zo ook in een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 2 juni 2026 (ECLI:NL:CRVB:2026:740). In deze uitspraak staat de vraag centraal of het UWV terecht geen maatregel heeft opgelegd aan een ex-werknemer, omdat deze tijdens ziekte de coronaregels heeft overtreden en als gevolg daarvan de kantonrechter tijdens ziekte de arbeidsovereenkomst vanwege een verstoorde arbeidsrelatie heeft ontbonden.

Volgens de ex-werkgever was het voor werknemer voorzienbaar dat ex-werknemer met zijn gedrag (verkouden op het werk verschijnen tijdens corona en vervolgens geen berouw heeft getoond voor zijn handelen) de arbeidsovereenkomst tijdens ziekte zou eindigen. Daarmee is volgens de ex-werkgever sprake van een benadelingshandeling voor de Ziektewet, met als gevolg dat deze aldus ex-werkgever blijvend en volledig niet tot uitbetaling mag komen.

De rechtbank en de Centrale Raad van Beroep, zien dat toch echt anders.

Vaststaat dat ex-werknemer in de corona-periode op 15 maart 2021 verkouden op zijn werk is verschenen en, ondanks aandringen van collega’s, niet naar huis is gegaan. Omdat de ex-werknemer niet wilde instemmen met een n.a.v. het voorval door ex-werkgever aangeboden vaststellingsovereenkomst, heeft de ex-werkgever een ontbindingsverzoek ingediend.

De kantonrechter heeft in die procedure geoordeeld dat het handelen van ex-werknemer, weliswaar verwijtbaar is, maar niet dusdanig ernstig dat van de ex-werkgever in redelijkheid niet gevergd kon worden dat zij de arbeidsovereenkomst zou laten voortduren. Volgens de kantonrechter heeft ex-werknemer door zijn gedragingen wel het vertrouwen van ex-werkgever en zijn collega’s beschaamd. De ex-werknemer heeft deze vertrouwensbreuk in de ontbindingsprocedure aldus de kantonrechter nog groter gemaakt door geen berouw te tonen, te blijven volhouden in zijn eigen gelijk en de verklaringen van zijn collega’s en leidinggevenden over het incident als ongeloofwaardig te bestempelen. Daarmee heeft ex-werknemer feitelijk zijn collega’s beschuldigd van liegen. Onder deze omstandigheden heeft de kantonrechter een terugkeer van ex-werknemer onmogelijk geacht en de arbeidsovereenkomst ontbonden op grond van een verstoorde arbeidsrelatie.

Op basis van de beschikking van de kantonrechter is de Raad van oordeel dat de gedragingen van ex-werknemer op 15 maart 2021 weliswaar verwijtbaar waren, maar niet zodanig ernstig dat deze – mede gelet op het langdurige dienstverband van ex-werknemer – een einde van het dienstverband tijdens ziekte voorzienbaar deden zijn. Dit wordt niet anders door de gespreksverslagen uit de periode 2002-2012 die door ex-werkgever in hoger beroep zijn overgelegd. Dat het verweer van ex-werknemer tijdens de procedure bij de kantonrechter de arbeidsverhouding nog verder heeft verstoord waardoor die volgens de kantonrechter onherstelbaar is beschadigd, maakt dit niet anders meent de Raad. Op grond van artikel 45, zevende lid, van de ZW was ex-werknemer immers gehouden zich inhoudelijk te verweren tegen het ontbindingsverzoek van appellante. Ex-werknemer heeft zich aan die verplichting gehouden door de verklaringen van zijn collega’s te weerspreken. Anders dan ex-werkgever meent, gaat de verplichting van artikel 45, zevende lid, van de ZW daarbij niet zover dat van ex-werknemer kon worden gevergd dat hij hoger beroep instelde tegen de beschikking van de kantonrechter.

Kortom: de ex-werkgever zal de Ziektewetuitkering die aan ex-werknemer is toegekend gewoon moeten betalen!

Scroll naar boven