Termijn voor UWV in beroep niet tijdig beslissen op herbeoordelingsaanvraag door werkgever blijft 9 weken bij de Rb Den Haag, ondanks nieuwe ‘prioritering’ van het UWV

Dat er achterstanden zijn bij het UWV is allang geen nieuws meer. Inmiddels geldt vanaf 1 januari 2026 ook nog eens een verdubbeling van de wettelijke beslistermijn op WIA-aanvragen (16 weken in plaats van 8 weken). Verder heeft het UWV dit jaar intern een prioritering vastgesteld, waarin zij voorgang geven aan nieuwe beoordelingen voor WIA-aanvragen en Wajong. In het kader van WIA-herbeoordelingen kan alleen voorrang gegeven worden als sprake is van een ‘schrijnend geval’ aldus het UWV. Waar eerst nog voorrang werd gegeven door het UWV aan (herbeoordelings)zaken waarin een rechtstreeks beroep vanwege niet tijdig beslissen was ingediend bij de rechtbank, ligt die prioritering sinds dit jaar dus anders.

Het UWV noemt op haar eigen website een aantal voorbeelden van schrijnende gevallen, zoals schuldenproblemen, regelen van financiële zaken als iemand terminaal ziek is en voor een werkgever: dreigend faillissement of uitstel van betaling voor een werkgever. Dat laatste zal niet snel aan de orde zijn voor veel werkgevers als zij geen tijdige beslissing op een herbeoordeling ontvangen.

Maakt de interne prioritering door het UWV verschil voor het vaststellen van een langere beslistermijn na de uitspraak van de rechtbank op het beroep niet tijdig beslissen?

De rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2026:11560) besliste in een viertal zaken, die vorige week op 20 mei 2026 zijn gepubliceerd, dat de interne prioritering niet leidt tot het vaststellen van langere beslistermijnen. Dat het UWV haar eigen beleid met betrekking tot prioritering heeft aangepast maakt volgens de rechtbank Den Haag niet dat zij afwijkt van de door haar eerder vastgestelde termijn om in WIA-zaken het UWV op te dragen uiterlijk 9 weken na de uitspraak te beslissen op een herbeoordelingsverzoek, bij gebreke waarvan het UWV een dwangsom verbeurt. Deze termijn is al langer dan de wettelijke termijn om binnen twee weken te beslissen na de uitspraak van de rechtbank. Volgens de rechtbank Den Haag is met de termijn van 9 weken al voldoende rekening gehouden met de omstandigheid dat sprake is van een ‘bijzonder geval’. In het nieuwsbericht van de rechtbank is daarover het volgende te lezen:

In de vier uitspraken van 13 mei 2026 concludeert de rechtbank dat de beslistermijn van negen weken nog steeds passend is. Het UWV heeft immers zelf de weloverwogen keuze gemaakt om de nieuwe werkwijze in te voeren. De rechtbank vindt dat dit tot gevolg heeft dat het UWV zich ook bij de financiële gevolgen heeft neergelegd als er een dwangsom moet worden betaald omdat de termijn die de rechtbank in haar uitspraak stelt, niet wordt gehaald.

De rechtbank Amsterdam oordeelde recent ook al dat het interne beleid tot prioritering niet leidt tot verlenging van de beslistermijnen die de rechtbank in dit soort zaken hanteert (zie ECLI:NL:RBAMS:2026:3731).

Kortom: ondanks de interne prioritering door het UWV, is het nog steeds zinvol om een beroep wegens niet tijdig beslissen in te stellen (ook voor werkgevers).

Overigens wisselen de termijnen die de rechtbank voor het UWV vaststelt om alsnog een beslissing af te geven per rechtbank en is de termijn soms langer in werkgeversberoepen. De rechtbank Amsterdam hanteert een termijn van 40 weken na ontvangst beroepschrift in werkgeverszaken.

Scroll naar boven